Waarom de meeste passoefeningen niets opleveren
Een pass bestaat uit drie delen, en het laantje traint er slechts één van.
Waarnemen. Waar kan ik naartoe spelen? Wie staat vrij, wie wordt gedekt, waar komt de druk vandaan? Dat wordt beslist voordat de bal aankomt.
Beslissen. Kort of lang, in de voet of in de loop, of toch zelf indribbelen?
Uitvoeren. Pas nu komt de techniek aan bod die in het laantje wordt geoefend.
Wie alleen het derde deel traint, krijgt spelers met een strakke techniek die in de wedstrijd toch de verkeerde pass geven. Daarom is in elke oefening hier minstens één beslissing ingebouwd. Waarom waarneming voor techniek komt, staat uitgebreid in Scanning, en hoe het eerste contact bepaalt of de pass überhaupt mogelijk wordt, in Eerste contact en balaanname.
Vier criteria voor een goede passoefening
- Er is een beslissing. Minstens twee mogelijke afspeelmogelijkheden, niet slechts één.
- Er is druk. Een tegenstander, een tijdslimiet of een contactbeperking. Iets moet de speler dwingen om van tevoren te kijken.
- Er zijn richtingsveranderingen. In een wedstrijd staat er zelden iemand precies voor je.
- Er zijn veel herhalingen. Geen rij waarin tien kinderen op één bal wachten.
Acht passoefeningen
Oefening 1: De driehoek met voororiëntatie
Opzet
Drie hoedjes in een driehoek, zijden van ongeveer tien meter. Eén speler per hoedje, één bal. Een vierde speler staat als neutrale afspeelmogelijkheid in het midden.
Verloop
De bal gaat rond in de driehoek. Voor elke pass geeft de speler in het midden met de arm een richting aan. De passer moet voor de balaanname gekeken hebben en vervolgens in de aangegeven richting doorspelen.
Coachingpunt
Het kijken gebeurt voor de aanname over de schouder, niet daarna. Wie pas kijkt als de bal aan de voet plakt, is te laat.
Variatie
In plaats van een armsignaal roept het midden een kleur. Daarmee komt er een cognitieve laag bij.
Leeftijd
Vanaf O11. Waarom de driehoek de basisvorm van elk positiespel is, staat in Driehoek in het voetbal.
Oefening 2: Eén-twee bij het hoedjespoortje
Opzet
Een hoedjespoortje van twee meter breed. Eén passer, een muurspeler aan de zijkant, een passieve verdediger voor het poortje.
Verloop
De passer dribbelt aan, speelt de één-twee via de muurspeler en neemt de bal achter het hoedjespoortje aan. De verdediger mag bewegen, maar geen sliding maken.
Coachingpunt
Timing is doorslaggevend, niet de hardheid van de pass. De muurspeler legt de bal pas af als de passer in beweging is.
Variatie
De verdediger wordt actief. Zodra hij de één-twee onderschept, wisselen de rollen.
Leeftijd
Vanaf O13, in vereenvoudigde vorm zonder verdediger al vanaf O11.
Oefening 3: Passcombinatie met afwerking op doel
Opzet
Eén doel met keeper, drie posities dervoor in een halve cirkel, op ongeveer 18 meter afstand.
Verloop
Bal van positie één naar twee, terugleggen op drie, afwerken uit de beweging. Na elke poging schuift iedereen een positie door.
Coachingpunt
De pass voor de afwerking moet strak en laag zijn. Een zachte pass haalt het tempo uit het schot.
Variatie
Een verdediger start tegelijk met de eerste pass en mag storen. Daarmee verandert de vaste volgorde in een beslissing.
Leeftijd
Vanaf O13. Waar het bij de afwerking zelf op aankomt, staat in Doeltraptraining.
Oefening 4: Rondo 4 tegen 2
Opzet
Een vak van acht bij tien meter. Vier spelers aan de buitenkant, twee in het midden.
Verloop
De vier buitenspelers houden de bal in de ploeg. Wie de bal verliest of een verkeerde pass geeft, gaat naar het midden.
Coachingpunt
De buitenspelers moeten bewegen, ook zonder bal. Een rondo waarin iedereen stilstaat, traint alleen de binnenkant van de voet.
Variatie
Contactbeperking tot twee balcontacten, later tot één. Of: een pass door het midden telt dubbel.
Leeftijd
Vanaf O11, met een groter veld ook eerder. De volledige versie inclusief foutenbeelden staat in de Rondo-gids.
Oefening 5: Vier doelen, één bal
Opzet
Een veld van 25 bij 20 meter met vier minidoelen, twee aan elke lange zijde. Vier tegen vier.
Verloop
Doelpunten tellen alleen na een pass. Een doelpunt aan de kant die daarvoor niet bespeeld werd, telt dubbel.
Coachingpunt
Kop omhoog na de balaanname. Wie de tweede kant niet ziet, kan hem niet bespelen.
Variatie
Een neutrale speler speelt altijd mee met de balbezittende partij. Dat verhoogt het slagingspercentage en houdt het tempo hoog.
Leeftijd
Vanaf O13 tot bij de senioren.
Oefening 6: De liniedoorbrekende pass
Opzet
Veld met drie dwarszones. Vier spelers in de eerste zone, twee verdedigers in de middelste, twee doelspelers in de derde.
Verloop
De vier spelen zich vrij en zoeken de pass door de middelste zone naar een van de doelspelers. De pass moet er over de grond doorheen, niet eroverheen.
Coachingpunt
De pass ontstaat door het voorbereidende werk. Eerst kantelen de verdedigers, daarna opent de lijn zich. Wie direct wil doorspelen, verliest de bal.
Variatie
De doelspelers mogen alleen zijwaarts bewegen. Daarmee wordt de timing van de pass belangrijker dan de precisie.
Leeftijd
Vanaf O15. Uitgebreid beschreven in Liniedoorbrekende passes trainen.
Oefening 7: Passen in de zaal
Opzet
Een zaalderde, twee teams van vier, wanden spelen mee.
Verloop
Drie tegen drie plus één kaatser aan de korte zijde per team. Één punt voor tien passes achter elkaar, één punt voor een pass via de wand naar een teamgenoot.
Coachingpunt
In de zaal komt de bal sneller terug dan buiten. De balaanname moet de bal tot rust brengen, anders is er te weinig tijd.
Variatie
Wand telt alleen met het zwakkere been. De zaalvloer vergeeft minder, wat de techniek eerlijker maakt.
Leeftijd
Vanaf O11, in het zaalseizoen voor alle leeftijdsgroepen. Zeven extra zaalvormen en een complete sessie staan in Zaaltraining.
Oefening 8: De passestafette
Opzet
Twee tot vier groepen van vier spelers, elke groep bij een eigen parcours van vier hoedjes.
Verloop
De bal moet één keer rond het parcours, elke speler raakt hem één keer aan. Welke groep haalt de meeste zuivere rondes in drie minuten?
Coachingpunt
Snelheid ontstaat door de balaanname, niet door harder te schieten. Een kind dat de bal met het juiste been aanneemt, wint een halve seconde.
Variatie
Na elke ronde wordt er een hoedje verplaatst. Het parcours blijft nooit hetzelfde.
Leeftijd
O9 en O11. Het wedstrijdkarakter houdt de concentratie hoog, zonder dat je erom hoeft te vragen.
Passoefeningen per leeftijdscategorie
O7 en O9. Hier gaat het nog niet om passen, maar om de bal aan de voet. Passoefeningen verlopen als stafette of spel, nooit als laantje. Twee tot drie minuten per vorm, daarna iets nieuws. Oefening 8 is de instap.
O11 en O13. De gouden leeftijd voor techniek. Nu zijn de driehoek, rondo en één-twee waardevol, altijd met een beslissing erin. Oefeningen 1, 2 en 4.
O15 tot O19. De pass wordt tactisch: liniedoorbrekend, verleggend, op het juiste moment. Oefeningen 5 en 6, aangevuld met contactbeperkingen.
Senioren (heren en dames) in het amateurvoetbal. Twee trainingen per week, uiteenlopende niveaus, weinig tijd. Zet in op vormen die techniek en spelaandeel gelijktijdig bieden: rondo als warming-up, daarna oefening 5 als kern. Geïsoleerde techniek heeft hier alleen nog zin als kort blokje, niet als zwaartepunt.
Veelgemaakte fouten
Het laantje zonder tegenstander.
Zorgt voor herhalingen zonder waarneming. Als warming-up vijf minuten prima, als zwaartepunt verloren tijd.
Te grote afstanden.
Wie over twintig meter past, traint schottechniek, geen passingspel. Bij de jeugd is acht tot twaalf meter genoeg.
Rijen bij de stations.
Drie spelers per station betekent: twee kijken toe. Liever meerdere kleine parcoursen parallel.
Alleen het sterke been.
Zonder opdracht kiest elke speler de makkelijkste weg. Één regel volstaat: terugspelen alleen met links.
Geen tijdsdruk.
Zonder contactbeperking of tegenstander ontstaat er geen noodzaak om vooraf te kijken.
Passoefeningen in Coach OS
De acht vormen hierboven zijn een begin, geen plan. Wat in de praktijk van de trainer ontbreekt, is zelden de losse oefening, maar de vraag wanneer welke aan de beurt is.
In de teaminstellingen stel je eenmalig de leeftijdsgroep, het aantal spelers, de trainingstijden, de beschikbare ruimte en het materiaal in. Op basis daarvan periodiseert Coach OS het seizoen over elf hoofdcategorieën met elk zes tot veertien subcategorieën, gewogen naar leeftijd en niveau. Passvormen verschijnen dan waar ze horen, in plaats van dat ze elke week opnieuw gezocht moeten worden.
De oefendatabank bevat meer dan 1.244 geanimeerde oefeningen, filterbaar op categorie, leeftijd, spelersaantal, materiaal en zwaartepunt. Eigen vormen teken je in Sketch en zet je er simpelweg bij. Elke trainingssessie kan als pdf worden geëxporteerd, voor de assistent-trainer of uitgedrukt voor op het veld.
Coach OS doet voorstellen. De trainer beslist. Altijd.
Conclusie
- Een pass bestaat uit waarnemen, beslissen en uitvoeren. Het laantje traint alleen het derde deel.
- Elke passoefening heeft minstens twee afspeelmogelijkheden en enige vorm van druk nodig.
- Acht tot twaalf meter afstand bij de jeugd, geen rijen, meerdere parcoursen parallel.
- Bij de senioren met weinig trainingstijd zijn vormen nuttiger die techniek en spelaandeel tegelijkertijd bieden.
- De individuele oefening is zelden het probleem. De vraag is wanneer welke aan de beurt is.